Een Prototype voor Toekomende Moraliteit en Vrijheid:



Vertrouwen dat leven altijd omgeven zoals de ander is.


De combinatie van individualisme, materialisme en ons verweven zijn met digitale media is misschien wel de snelste manier om onszelf van moraal en vrijheid te ontdoen. Maar welke ruimte schept de afstand tussen de fysieke en mentale belevingswereld? Wat nodigt het gevoel van machteloosheid ons uit te verrichten? Ik sta mijzelf toe te zoeken naar een onderliggende betekenis van het vraagstuk dat al vele jaren in mij groeit; naar het begrijpen en doorvoelen van de universaliteit van dissociatie tussen materialiteit en immaterialiteit in wereldse en levendige fenomenen: de toenemende afstand tussen het fysieke en geestelijke plan.
    Ik vind dat het de mens geen recht doet; vooral onze kinderen en de mensen die niet profiteren van het materialisme en individualisme om deze te accepteren als louter natuurlijke of culturele verschijnselen. Ik probeer daarom een ruimte te scheppen om te overwegen welke existentiële en bezielde veranderingen deze processen in ons teweegbrengen. Het wegzetten van individualisme en materialisme als een complexe menselijke werkelijkheid of een probleem maakt mij als persoon existentieel twijfelachtig. Als kunstenaar maakt dit idee mij gedemotiveerd en ontmoedigd.
    Ik streef ernaar een kunstzinnig, praktisch en diepgaand onderzoek te doen naar een spirituele en metafysische interpretatie van het materialisme en individualisme; niet alleen als gevolg, maar ook als aanleiding van iets voorlopig speculatiefs, psychosomatisch en individueels. In dit onderzoek speelt het ‘transactionele onderwerp’, dat speculatieve en filosofische vormen aanneemt, een cruciale rol om dissociatieve processen te beschouwen.
In dit essay werk ik vanuit de probleemstelling van het materialisme en individualisme in relatie tot dissociatie tot een beeld van de geïndividualiseerde en veelal gedissocieerde mens. Daartegenover schets ik het transactionele onderwerp als een gevoelig tegenbeeld.


Ethisch en existentieel gespleten; verantwoordelijkheidsgevoel en vrijheid is verbondenheid


Het dialectische vraagstuk van dissociatie is voor mij als wereldse manifestatie ethisch en existentieel van aard. Het houdt verband met het verantwoordelijkheidsgevoel van de postmoderne mens voor diens denken en doen en daarmee diens moraliteit en vrijheid. De hedendaagse mens in het Westen leeft in een geglobaliseerde, materialistische en een geïndividualiseerde wereld. Die bestaat daar in een spanning tussen het toegang hebben tot een werelds-wijd bewustzijn en het voortdurend gericht zijn op geïndividualiseerde zelfwording.
    Het voelt alsof de wereld ver weg en dichtbij is; door schermen mentaal heel dichtbij, soms ook emotioneel, maar fysiek heel ver weg. Er gebeurt veel om ons heen, waar wij ons niet bewust van zijn. Het is niet per se duidelijk wat de invloed van onze handelingen is, doordat wij zo verwikkeld zijn in onder andere internationale, systematische en digitale processen, die veelomvattender en sneller zijn dan wij. Het is praktisch onmogelijk om te onttrekken aan het bewustzijn van wat er speelt in de wereld. Via alle media, via telefoons en in onze cultuur leeft een geglobaliseerd bewustzijn. Zelfs al kan een mens zich mentaal en emotioneel afsluiten van dit bewustzijn, dan leeft die er dan alsnog fysiek en metafysisch middenin. Er is dus een voortdurende dualiteit in hoe de mens omgeven bestaat; mentaal is die met een heel groot deel van de wereld verbonden. In diens lichamelijke beleving is die vanuit een punt in de tijd en ruimte fysiek specifiek verbonden.
    Als je opgroeit in West-Europa, dan word je je bewust van jezelf en je omgeving met de maatschappelijk geïmpliceerde oriëntatie op individuele zelfstandigheid en zelfbeschikking. Onze voornaamste activiteiten; naar school gaan, werk en hobby's hebben zijn voor ons allemaal persoonlijk ingericht (passend of niet). Daar kan een dagje uit met het gezin niet tegenop, ook niet met je partner naar de film of koffie met een buurvrouw. Die momenten zijn natuurlijk heel belangrijk, maar vrijwel voor niemand, zoals het door onze instanties vormgegeven is, hetgeen we het meest geïnvesteerd in zijn door het onze aandacht en tijd te schenken. De vraag die je leert te beantwoorden als je naar school gaat, is niet hoofdzakelijk: ‘Wat kunnen wij samen doen?’ of ‘Wat vinden wij?’, maar ‘Wat kan ik doen?’ en ‘Wat vind ik?’. Het geindividualiseerd zijn is verweven met ons handelen, ons denken en ons voelen. Het individualistische wordt gereflecteerd in onze normen, waarden en de praktische inrichting van onze levens.
    Het geindividualiseerd zijn bestaat voort naast een illusie van onafhankelijkheid van het individu los van anderen en de wereld; alsof het leven in isolatie maakbaar is.
Tegelijk neemt het vertrouwen in vreedzaam samenleven binnen een nieuwe wereldorde, die na de Tweede Wereldoorlog volgde, af. Het democratische leiderschap, dat mensenrechten zou beschermen en individuele vrijheid zou waarborgen, ligt onder vuur van imperialisme en fascisme. Het is steeds vaker zichtbaar hoe het systeem eigen waarden en normen ondermijnt, door machtsmisbruik en corruptie. Dit zorgt voor wantrouwen. En als het systeem waardoor de mens leeft niet te vertrouwen is, dan maakt dat eigen invloed natuurlijk ook minder betrouwbaar. Dit staat nog los van externe bedreigingen waar toenemende aandacht voor is. Voor een mens die leeft met het bewustzijn dat die alleen invloed heeft op het eigen leven als een geïsoleerd fenomeen, lijkt de ondergang van de wereld misschien een feit. Een mens die maakbaar denkt te zijn, moet zich onbestemd voelen in een wereld die in ondergang is. Die levert elke dag een praktische strijd, terwijl die zich geestelijk steeds verder onttrekt aan het leven. De mens die in de illusie leeft dat het eigen leven in zeer hoge verfijning maakbaar is, leeft ongerelateerd aan de wereld, waar in werkelijkheid niets maakbaar is, maar juist alles van invloed is. Mentaal gerelateerd aan de hele wereld en fysiek steeds minder inlevend, met een onderliggend gevoel van machteloosheid, leeft de post-postmoderne mens. Het lijkt mij alleen maar een logisch gevolg dat die zich daardoor vaak overprikkeld en leeg voelt. Het lijkt mij ook alleen maar logisch dat het dissociëren van de fysieke werkelijkheid van de mentale werkelijkheid leidt tot de dissociatie van het individuele handelen, voelen en denken en vice versa.
    Gerelateerd aan het slinken van verantwoordelijkheidsgevoel verandert de betekenis van vrijheid in de wereld. Hoewel de individuele bewegingsvrijheid toegenomen lijkt (door de illusie van keuzes), is het denken, voelen en handelen niet vrij als er geen verantwoordelijkheidsgevoel is. Vrijheid bestaat niet zonder het vermogen van invloed.
De ruimte waarin de mensen zich met hun invloed verkeren, is gevuld met abstract oordeel; een grote massa externe motieven die persoonlijke gevoelens verzwelgt. Die ruimte is mentaal. In het oordeel door de individuele mens ligt diens vrijheid tot het leven, maar in elk eigen oordeel bedreigt de subjectiviteit van diens gevoelige wezen de ‘waarheid’. Het doorleefde oordeel is net zo gevoelig als de huid. Elke mensenziel is gevoelig voor het verleden en de toekomst. Zonder gevoeligheid voor eigen intenties, moraal en esthetiek is vrijheid gereduceerd tot het vermogen om schijnbewegingen te maken.


Het beeld van een gedissocieerd mens, uit het leven, uit ziel en lichaam onttrokken.
Het tegenbeeld: de verbonden mens, in de ziel en het lichaam betrokken.



Tegenover het beeld van de mens die aan diens individualisering ten ondergaat door existentiële armoede, of die niet langer vrijheid geniet door het ontbreken van een verantwoordelijkheidsgevoel in het leven, ontstaat het tegenbeeld van een gedragen en verbonden ziel. Daar zie ik een mens vol verlangens en weerbarstigheid. Een mens die eigenwaarde uit relaties met anderen put. Een individu dat zich reflecteert op de ervaringen die het zelf schept in de wereld. Een mens die de verantwoordelijkheid durft te dragen, te weten dat die kennis kan hebben van het volledige conceptuele bestaan van de gehele wereld en door elke keuze invloed uitoefent. De mens is vrij omdat die weet waarom die iets wil, niet omdat die simpelweg kan doen wat die wil. Te weten met welke verlangens en angsten die door de wereld beweegt, is wat de mens bevrijdt. Fundamenteel in de mens, die zich door het leven geschonken en daarmee verbonden voelt, is het besef dat die enerzijds invloed heeft en anderzijds dat die beïnvloed wordt. Hoe dieper die relatie tussen de mens en ‘alles wat die mens niet is' beschouwd wordt, hoe helderder het lijkt dat het verschil tussen een mens en diens omgeving een mentaal construct is. Zowel in het fysieke plan als in het geestelijke plan bestaat een mens door relaties; die ervaart ook zichzelf alleen in relatie. Relaties veronderstellen onderscheid. Onderscheid heeft een existentiële functie, maar is niet de existentiële functie. Fenomenologisch is er een voortdurende wezenlijke uitwisseling in de mens van de wereld en van buiten de wereld. In het vlees en bloed en in de gedachten en gevoelens.


Wat is het transactionele onderwerp?


Twee jaar geleden kwam ik het concept van de 'somatic-mind' tegen bij Kristie Fleckenstein. Wat mij tot Fleckenstein bracht, was het verlangen om als kunstenaar een antwoord te formuleren op dissociatie, als een maatschappelijk fenomeen; hoe kunnen wij vanuit en tot het lichaam scheppen, zonder de mens te objectificeren?
  Zij doet in haar essay 'Writing Bodies' enerzijds een poging om het transactionele onderwerp in literatuur te vinden en te beschrijven. Anderzijds diept zij motieven uit om het 'somatic-mind' te schrijven. Haar doel is om een wereld, verhalen en ervaringen te schetsen die niet alleen beschrijven wat er objectief gebeurt, door discursieve informatie, maar vooral hoe de gebeurtenissen door levende lichamen ervaren worden, door corporeale informatie. De manier waarop Fleckenstein vormgeeft aan de ‘somatic-mind', haar onderschrijven van het belang van het oplossen, het verbinden en relativeren van het onderwerp aan diens omgeving en ontmoetingen, heeft voor mij een fundamenteel principe blootgelegd; zolang wij denken over dingen en onderwerpen alsof die volgens ons mentale construct van isolatie, afgesloten en niet als beleefd door onze levende lichamen, zetten wij het lichaam existentieel buiten spel in onze cultuurproductie. Het lichaam blijft een weg voor de ziel, de geest tot de wereld, maar die heeft geen eigenaarschap in de wereld.

Geschreven het transactionele onderwerp

In het essay ‘Writing Bodies’ stelt Kristie Fleckenstein het concept van het ‘somatisch bewustzijn’ of ‘wezen-in-een-materiële-plaats’ voor als middel om lichamelijkheid terug te winnen. Zij definieert het somatisch bewustzijn als: 'een doorlaatbare materialiteit’. Ze definieert het somatische bewustzijn als: “een entiteit die voortdurend door discursieve en lichamelijke intertekstualiteiten wordt verschoven.” De somatische geest verwijst dus naar een persoon die in wisselwerking bestaat met diens omgeving, als een lichaam - een wezen op een materiële plaats. De belangrijkste eigenschap van het somatische bewustzijn is diens “...paradoxale doorlatende materialiteit; een contextuele ruimtelijk-temporele plaatsing waarin de identiteit van een organisme wederzijds wordt gevormd met die van een fysieke positie.”
    Hoewel we ons identificeren als ons eigen zelf, met ons eigen lichaam alsof het een geïsoleerde entiteit is, leven we in voortdurende uitwisseling met onze omgeving. We zijn een uitvloeiende, poreuze, plaatsgebonden entiteit. Een wezen-in-een-materiële-plaats kan alleen worden
geïdentificeerd door diens immanentie; door diens fysieke, relationele, culturele, etnografische en geografische positionering; wie en waar zijn co-extensief.

Het transactionele onderwerp als existentieel prototype

Door de mens in eerste plaats als een ‘transactioneel wezen’ te beschouwen, in relatie tot alles wat onbezield is, en ‘relationeel’, in relatie tot alles wat bezield is, ontstaat er een ruimte om te doorvoelen wat het betekent om invloed te hebben voorbij een mentaal bewuste handeling. Door de mens als transactioneel onderwerp te beschouwen, kan het concept van de mens als onafhankelijke held vredig gedeponeerd worden. Door het transactionele onderwerp wordt de wereld benaderbaar vanuit de vrijheid die in de wederzijdse verantwoordelijkheid tussen het leven en de mens ligt. Zo ontstaat er een nieuwe ruimte voor het denken over onze moraliteit en onze zingeving. En dit is nu juist cruciaal; de mens leeft bewust. Alleen een doorvoelde en doorleefde ervaring volstaat als antwoord op de zin van het leven. Door het transactionele onderwerp kan de ‘waarom’ uit tijden van eenvoudig God of sceptisch wetenschap getransformeerd worden tot een doel van de mens als scheppend en medelevend wezen, voorbijgaand aan het individuele lot.                 Belichaming van het transactionele onderwerp Een zoektocht naar het somatisch bewustzijn in prozaische of poetische vorm leidt voor mij tot een onderzoek naar mijn eigen vermogen om met dit bewustzijn te bestaan. Ik zie dit als inherent aan de kunstpraktijk; dat het artistieke onderzoek levend verricht wordt. De noodzaak om lichamelijkheid te winnen is voor en volgens mij op dit moment een van de meest actuele vraagstukken, omdat de mens vanuit lichamelijkheid duidelijk door relaties en transacties omgeven is. Het bezield lichamelijke leven wordt ondermijnd door het individualisme, het materialisme en ons digitaal bestaan, terwijl onze aandacht bij het mentale leven wordt gelegd. Mijn werk bestaat uit woorden, maar vooral ook uit objecten en beelden, aldus mijn doel om het object te laten spreken door transactionaliteit. De poging om een object te scheppen als een 'wezen-in-een-materiële-plaats', zodat die de veranderingen in diens omgeving reflecteert, zodat die zich bewust tot diens omgeving verhoudt en dat die formeel en conceptueel geïdentificeerd kan worden door diens manier van verhouden, eerder dan diens geïndividualiseerde aspecten, staat hierin centraal. De poging om mijzelf te beschouwen als een vloeiende en poreuze entiteit, staat centraal in mijn leven. Dit is mijn praktijk; het oefenen met het belichamen van het transactionele onderwerp, enerzijds als onderwerp door relaties en anderzijds door in objecten te materialiseren.

Achtergrond


In 2024, tijdens het laatste jaar van de masteropleiding Beeldende Kunst aan het Sandberg Instituut, schreef ik een scriptie over 'I, a Porous Site, a Seed'. Daarin zocht ik naar het vermogen om het ‘ik’ als een transactioneel en relationeel onderwerp in te zetten in speculatief werk binnen een kunstpraktijk. Sindsdien is het idee van een transactioneel onderwerp een sleutelbegrip in mijn werk en woorden, maar ik heb de scriptie met veel ontevredenheid en frustratie achtergelaten. De scriptie glijdt over heel veel verschillende ideeën heen, die misschien wel allemaal heel relevant zijn, maar om veel meer tijd, ruimte en woorden vragen. Nu, ruim een jaar na mijn afstuderen, voel ik genoeg moed om terug te keren naar deze ‘mislukte’ poging om het transactionele subject te definiëren als zowel substantieel als bestaand in relatie tot al het omgevende en de ‘andere’.
    Dit essay is de eerste van een serie die ik het komende jaar zal schrijven over de belichaming van het transactionele onderwerp. Dit onderzoek neemt veel verschillende vormen aan en roept tot nu toe steeds meer vragen op. Deze vragen wil ik delen. Zo hoop ik mijzelf verder te verhouden tot lezers en zij die de objecten die ik met deze houding voortbreng.


Literatuur

Fleckenstein, Kristie S. “Writing Bodies: Somatic Mind in Composition Studies.” College English, vol. 61, no. 3, 1999, pp. 281–306. JSTOR, https://doi.org/10.2307



Als de mens een dieptepunt bereikt in het alleen zijn, het geïndividualiseerd bewust zijn,
verstijft die bungelend en aanschouwend boven een wereld die aan diens voeten ligt.

Om die mens zweeft een grote dreiging om de morele verantwoordelijkheid van een ieder,
onbenaderbaar en daarmee waardeloos te verklaren.

Hoe mensenlichamen steeds meer hangen om de gestalte van individuen die zichzelf zo,
voortslepen tot zwevende lichamen waarin iets onbekends woont.

Door angst gedreven die gezichten uitholt vergrijpen zij zich aan spullen en dingen,
die dienen in de plaats van hun handelen, terwijl hun zielen verder leegstromen.

Een blauw licht legt een onstuimige waas over de grens van hun gezicht en zij ademen onbewogen.

Het is zwaar om verzwaard te zijn en toch lijkt het verder dissociëren de ontsnapping,
van de ondraaglijke eenzaamheid die in een eenzaam individu leeft niet leefbaar.

Jesse Benjamin Marie Blaauw – jbmb@tutamail.com – jesseblaauw.space 13-01-2026, Amsterdam. (o) (o) (0) (O)( () )( () ) (o)